AMSTERDAM, woensdag Een grote, landelijke reorganisatie ten spijt is het exclusieve onderwijs aan het ziekbed van scholieren voor Amsterdam behouden. De service die de leerlingen bijspijkert omdat zij op school veel missen, verdwijnt bijna overal in ons land. In Amsterdam werkt de Stichting Onderwijs aan Zieke Kinderen nog op topsterkte: tachtig bedlegerigen kregen afgelopen jaar een docent aan huis. Bij de invoering van de wet Ondersteuning Onderwijs Zieke Leerlingen op 1 augustus 1999 zijn de ziekenhuisscholen opgeheven. Daarvoor in de plaats zijn verschillende instellingen gekomen, waaronder het landelijke Ziezon, het Advies- en Begeleidingscentrum voor de niet-academische ziekenhuizen en de educatieve voorzieningen voor kindertjes die in het AMC of het VUmc liggen. Maar een instelling die een gediplomeerd leraar Frans, wiskunde of geschiedenis thuis bij het kind langs stuurt, is er bijna niet meer. Toch heeft het huisonderwijs Amsterdam al meer dan honderd jaar het hoofd boven water gehouden. „Wij bestonden al die tijd als aanvulling op de ziekenhuisscholen. Maar wij hadden een speciale positie, we vielen niet onder de landelijke wetgeving, waardoor de aangepaste wetgeving niet op ons van toepassing was. De stichting kon en kan bestaan van gemeentelijke subsidies”, vertelt Jantien Taams, coördinator van de stichting. Jaarlijks krijgen dus ongeveer tachtig kinderen zo’n vier uur per week privé-les. „En noem het alstublieft geen bijles, want dat is het niet. Wij begeleiden de kinderen in hun taken om bij te blijven, maar ze moeten het vooral zelf doen. Wij zijn het aanspreekpunt tussen school, de leerling en de ouders. De school zorgt voor de toetsen en overhoringen en wij nemen die af en helpen met de begeleiding daarnaartoe”, vertelt Taams, die al sinds 1981 als lerares Frans bij de stichting betrokken is. „Het is een erg dankbaar vak. Vaak denken mensen dat als kinderen ziek zijn en niet naar school kunnen, zij ook geen behoefte hebben aan lessen. Het tegenovergestelde is vaak waar. Ze vinden het juist fijn om hun gedachten even ergens anders op te richten.” • Jantien Taams (l) eind vorig schooljaar op bezoek bij Remco, die zijn been had gebroken. Hij is met de hakken over de sloot overgegaan van 2 vwo naar 3 vwo, mede dankzij de inzet van de stichting Onderwijs aan Zieke Kinderen. De vijftien leerkrachten die aan de stichting verbonden zijn, krijgen met zeer uiteenlopende ziekten te maken. Zo komt het vaak voor dat een leerling een been breekt, waardoor hij of zij soms zes weken niet naar school kan. Maar ook de ziekte van Pfeiffer, longontsteking, zwangerschapsverlof en ook kanker komen voor. „Wij komen alleen als duidelijk is dat een ziekte tijdelijk is. Als het een chronische aandoening is of een blijvend ziektebeeld, zijn daar andere instellingen voor. Maar kanker komt bij ons ook voor en dat is niet altijd makkelijk. Toch zijn kinderen altijd blij ons te zien, omdat wij het ’gezonde deel’ van hen aanspreken en niet zoals de artsen en doktoren alleen maar bezig zijn met wat ze niet kunnen”, vertelt Taams. Met de tachtig kinderen die jaarlijks door het Amsterdamse huisonderwijs worden bijgestaan, worden nog niet eens alle kinderen geholpen. „Er vallen er altijd een paar buiten de boot, al kan ik niet zeggen hoeveel. Maar wij krijgen subsidie van de gemeente en meer dan tachtig op jaarbasis kunnen we ook niet helpen”, zegt de lerares Frans. |